Sociale voorzieningen
Van sociale voorzieningen is in Guinee nauwelijks sprake. Zoals het al eeuwen gaat, zijn de meeste mensen voor hulp op hun familie en vrienden aangewezen. Voor industriearbeiders bestaat een wettelijk verplichte 48-urige werkweek. De lonen zijn vastgesteld in een arbeidscode.
Gezondheidszorg
Sinds de onafhankelijkheid van het land, zijn de medische voorzieningen verbeterd, waardoor de kindersterfte aanzienlijk is teruggedrongen.
Het aantal inwoners met aids neemt snel toe. In 1996 waren volgens de Verenigde Naties 74.000 mensen besmet met HIV (2% van de volwassen bevolking), waarvan er in dat jaar 922 aan aids overleden. In werkelijkheid zal het aantal aids-gevallen veel hoger liggen.
Onderwijs
Onderwijs is gratis toegankelijk en verplicht voor kinderen van 7 tot 13 jaar. In 1995 was 64% van de volwassenen analfabeet; onder vrouwen lag dit percentage op 78%. Er zijn twee universiteiten, in Conakry en Kankan. Onderwijs wordt in het Frans gegeven en sinds 1984 worden particuliere scholen weer toegestaan.
Bestuur
In 1984 kwam een militaire regering aan de macht, die de grondwet introk, het parlement ontbond en de Parti Démocratique verbood. De president werd hoofd van het Comité Militaire de Redressement National, dat 17 (militaire) leden telde en de macht in handen had. In 1991 werd dit veranderd in een Comité Transitoire de Redressement National, met 36 leden, zowel militairen als burgers. In de transitieperiode zouden twee partijen moeten ontstaan, om uiteindelijk een burgerregering te vormen. In 1992 werd besloten om meer dan twee partijen toe te staan. In de nieuwe structuur worden de president, de premier en het parlement door de bevolking gekozen. Het parlement bestaat uit 1 kamer met 114 zetels.
Guinee is ingedeeld in 8 provincies die elk door een gouverneur bestuurd worden.
Geschiedenis
Er is weinig bekend van de vroege geschiedenis van Guinee. Het koninkrijk Ghana, dat zijn bloeiperiode doormaakte vóór 1000 n.C., haalde er zijn goud vandaan. Daarna maakte Guinee deel uit van de rijken van Mali en Songhay.
In 1446 bereikten Portugese zeevaarders de kust van Guinee. Zij vonden het een ongezonde streek, een meevaller waardoor Guinee aan de slavenhandel ontkwam. In 1849 annexeerde Frankrijk een deel van de noordkust; in 1881 werd Fouta Djallon een Frans protectoraat, waarna Frankrijk snel zijn invloed naar het zuiden uitbreidde. In 1885 werd Frans Guinee opgenomen in de grote federatie Frans West-Afrika. Toen in 1947 de Parti Démocratique de Guinée (PDG) werd opgericht als afdeling van de Rassemblement Démocratique Africain (RDA, de Frans-West-Afrikaanse nationalistische beweging), nam het nationalisme toe. De nationalistische leider van Guinee, Sékou Touré, beschouwde de verdeling in volken als een bedreiging voor de nationale eenheid en daarom stonden bij verkiezingen PDG-leden kandidaat buiten het gebied waaruit zij afkomstig waren. Sékou Touré - een Mandingo - werd zo gekozen tot burgemeester van Conakry, een Susu-stad.
Onafhankelijkheid
In 1958 stemde Guinee als enige Franse kolonie tegen lidmaatschap van een door president De Gaulle voorgestelde Franse gemeenschap. De Fransen trokken zich terug en Guinee werd een onafhankelijke republiek. Hoewel het Westen de banden niet verbrak, kon Guinee zich aanvankelijk uitsluitend staande houden dankzij hulp van Ghana, de Sovjet-Unie en communistische landen uit Oost-Europa. De PDG onderdrukte met harde hand alle oppositie en volgde een socialistische koers. Volgens Sékou Touré was er tussen 1958 en 1970 voortdurend sprake van complotten tegen zijn bewind. Meestal zou Frankrijk achter deze samenzweringen hebben gezeten, in een aantal andere gevallen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Na iedere ontdekking van een samenzwering volgde een golf van arrestaties en executies. In 1976 werden de Fulbe hier het slachtoffer van en is een deel van het volk naar andere streken verhuisd. Deze politiek bracht Guinee internationaal gezien in een isolement. Hierdoor en door een gebrek aan goed economisch beleid ontstonden aan het eind van de jaren zeventig ernstige economische problemen. Sékou Touré moest een liberalere weg inslaan en probeerde de internationale relaties te verbeteren en buitenlandse investeerders te interesseren voor de exploitatie van Guinese mineralen.
Militaire machtsovername
Na Sékou Touré's dood in 1984 kwam generaal Lansana Conté door een militaire coup aan de macht. Deze machtsovername betekende een verdere liberalisering van het economische en politieke stelsel. Conté wilde de democratie herstellen en de mensenrechtensituatie in Guinee verbeteren. Hij liet politieke gevangenen vrij en ballingen keerden terug in hun land. Conté was staatshoofd en bezette ook de plaatsen van premier en minister van Defensie. In 1985 probeerde Traoré, de afgezette premier, tevergeefs de macht te grijpen.
Om in aanmerking te komen voor structurele hulp van de Wereldbank en het IMF, introduceerde Conté in 1985 radicale economische hervormingen om de ontwikkeling naar een vrije-markteconomie te kunnen doormaken. Dit leidde tot protesten onder de bevolking die vooral onder de prijsstijgingen van voedsel leed.
De democratisering van Guinee verliep langzaam, in 1988 werd een comité ingesteld ter voorbereiding van een nieuwe grondwet. Het eind van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig werden gekenmerkt door politieke spanningen en protest van de bevolking. In 1992 werd een meerpartijenstelsel ingevoerd. De oppositiepartijen (ca. 45) die zich ontwikkelden waren echter gefragmenteerd en konden in eerste instantie geen vuist maken tegen de bestaande regering, die de verkiezingen voor het parlement keer op keer uitstelde. In 1993 werd Conté, na door de oppositie bekritiseerde verkiezingen, herkozen als president. In dat jaar kwam de oppositie dichter bij elkaar om de parlementsverkiezingen van 1994 voor te bereiden. Deze werden echter weer uitgesteld tot 1995, en werden een overwinning voor de regeringspartij Parti de l'Unité et du Progrès. De belangrijkste oppositiepartijen weigerden hun zetels in te nemen, uit protest tegen de volgens hen frauduleus verlopen verkiezingen. Begin 1996 brak er muiterij uit onder legeronderdelen in de hoofdstad Conakry. Conté wist de opstand met hulp van regeringsgetrouwe troepen te onderdrukken. In maart 1999 benoemde Conté, die in 1998 was herkozen, Lamine Sidime tot premier. In 2001 won Conté, met een ruime meerderheid van stemmen, een referendum over de wijziging van de grondwet. De dag na het overlijden van Lansana Conté in december 2008 heeft het leger onder leiding van kapitein Dadis Camara en staatsgreep gepleegd dat in eerste instantie door de meerderheid van het volk ondersteud werd. Maar gaandeweg verbrokkelde zijn populariteit en op 28 september 2009 werd een manifestatie tegen zijn kandidaatstelling voor het presidentschap bloedig neergeslagen.
Economie
Guinee heeft verschillende mogelijkheden om een welvarend land te worden: het beschikt over grote voorraden mineralen en goede mogelijkheden voor agrarische ontwikkeling. Tot het begin van de jaren negentig werden deze mogelijkheden nauwelijks benut, door de eenzijdige nadruk op de winning van bauxiet (in 1995 goed voor 55% van de exportinkomsten) en de grote stroom vluchtelingen uit Liberia en Sierra Leone.
Sinds 1985 wordt in overleg met het IMF en de Wereldbank gestreefd naar liberalisering van de economie. In 1995 werd de mijnwet gewijzigd, met het oog op het aantrekken van buitenlandse investeerders. Tussen 1985 en 1995 steeg het Guineese bbp met gemiddeld 3,5% per jaar; in 1995 bedroeg het inkomen (bnp) per hoofd $ 550. In 1996 bestond de totale beroepsbevolking uit naar schatting 3,6 miljoen mensen, vrouwen maakten hier 39% van uit.
Natuurlijke hulpbronnen
Guinee beschikt over meer dan 25% van de bauxietreserves in de wereld. Daarnaast worden ijzererts, diamant, goud en uranium gevonden. Het land heeft rijke visgronden en veel mogelijkheden voor het opwekken van hydro-elektriciteit.
Infrastructuur
Guinee heeft een spoorwegnet van 1045 km, dat deels wordt gebruikt voor het vervoer van bauxiet. Het wegennet heeft een lengte van 30.500 km, waarvan ongeveer 5000 km verhard is. Er zijn twee havens, Kamsar en Conakry. Conakry heeft ook een internationale luchthaven.
Landbouw, bosbouw en visserij
Ongeveer 85% van de actieve beroepsbevolking is werkzaam in de landbouw (incl. bosbouw, jacht en visserij), waar een kwart van het bbp tot stand komt (1995). Tussen 1988 en 1995 groeide de productie met gemiddeld 4,2%.
Ongeveer 6% van het land wordt bebouwd, bijna 2% hiervan moet worden geïrrigeerd. Grasland voor vee beslaat 12% van het land en 42% van het land is bebost. Door de commerciële houtkap is er echter sprake van ontbossing. In de periode van 1981 tot 1990 ging per jaar gemiddeld 1,1% van het bosareaal verloren.
De belangrijkste voedselgewassen zijn cassave, maïs, gierst en rijst. Begin jaren negentig was Guinee nog niet zelfvoorzienend met zijn voedselproductie, hoewel de regering zich dit wel tot doel had gesteld. De voornaamste handelsgewassen zijn bananen, citrusvruchten, palmolie, aardnoten en koffie.
De visserij op zee en in de rivieren is vooral belangrijk voor de binnenlandse voedselvoorziening. Sinds het eind van de jaren tachtig wordt vis echter ook geëxporteerd.
Industrie
De industriële sector is minder belangrijk dan de landbouw. Hier werd in 1995 31% van het bbp gerealiseerd. Het grootste gedeelte hiervan is afkomstig uit de mijnbouwsector (19%). Naast bauxiet worden goud, diamant en graniet gewonnen. De exploitatie van mineralen is voor een groot gedeelte in buitenlandse handen. Guinee kent tevens een kleine hoeveelheid lichte industrie, die vooral gericht is op de verwerking van agrarische producten en de productie van bouwmaterialen. Daarnaast wordt aluminum gesmolten.
Buitenlandse handel
In 1995 bedroeg de waarde van de uitvoer van goederen en diensten 22% van het bbp, die van de invoer 26%. De belangrijkste exportproducten waren bauxiet en aluminium, goud en koffie; de grootste afnemers waren België, de Verenigde Staten en Spanje. Ingevoerd werden vooral industrieproducten, brandstoffen en voedingsmiddelen, de grootste leveranciers waren Frankrijk, Ivoorkust en België.
Economische hulp
Guinee kijgt economische hulp van de Wereldbank en het IMF; in het verleden heeft het land ook veel hulp gekregen van de Sovjet-Unie. In 1995 bedroeg de totale buitenlandse schuld $ 3,2 miljard. Guinee is een van de minst ontwikkelde landen ter wereld. De economie drijft hoofdzakelijk op tropische landbouw, visvangst en mijnbouw. Guinee is het tweede productieland voor bauxiet met bijna de helft van 's werelds bauxietreserves; er wordt ook ijzererts, goud en diamanten gedolven. De bauxietproductie is vrijwel geheel in particuliere handen en 85% van de opbrengst gaat naar buitenlandse maatschappijen.
De economische groei bedroeg in 2008 naar schatting 4,5 procent, na een periode van beperkte economische groei in 2006 en 2007. In die jaren groeide de economie met naar schatting 2,2 en 1,5 procent [4]. Het nationaal inkomen per persoon bedroeg in 2008 naar schatting 1100 US dollar per hoofd van de bevolking. Het land ontvangt geen steun van het IMF en de Wereldbank, maar er is een programma opgezet om de steun te hervatten.
Een groot gedeelte van de bevolking leeft op het Fouta Djallon-plateau. De kwaliteit
van de bodem en het klimaat daar maken dat gebied het meest geschikt voor landbouw.
Daarnaast is er een bevolkingsconcentratie in het westelijke gedeelte van het land
in en rond de steden. In 1994 woonde in totaal 29% van de bevolking in een stad.
De vier grootste steden zijn de hoofdstad Conakry, Kankan, Kindia en Labé.
Bevolkingsgroepen, taal en religie
Een groot gedeelte van de inwoners van Guinee (44%) behoren tot de zgn. Soedannegers,
volken met een Soedanese taal. Tot deze groep behoren o.a. de Mandingo (Malinke)
en de Susu.
De Mandingo wonen in de vlakten van de Boven-Niger en stammen af van de heersers
van het grote Mali-rijk in West-Afrika, dat tussen 1200 en 1400 zijn bloeiperiode
beleefde. De Susu (12%) wonen voornamelijk in de kustvlakte. Daarnaast zijn er nog
vele kleine inheemse groepen. De Fulbe (of Fulani), de belangrijkste bevolkingsgroep
in de Fouta Djallon-streek, zijn waarschijnlijk van gemengd Europees/Negroïde afkomst.
Zij vormen met 40% de grootste bevolkingsgroep in Guinee. Omdat er zoveel verschillende
inheemse talen zijn (o.a. Mandingo, Susu, Fulfulde, Basari, Loma, Kpelle), wordt
het Frans nog steeds als officiële taal gebruikt. Tussen de verschillende taalgroepen
bestaat wel veel spanning en achterdocht.
Bijna 85% van de bevolking is moslim, ca. 8% is christen, met name rooms-katholiek,
en de rest (7%) hangt een etnische religie aan.